een gedicht
Herfst verschijnt met een koperen mantel.
Ze schildert de wereld met haar gouden penseel,
streelt bladeren tot ze gloeien in rood en oranje.
De straten bedekt met het zachte ritselen,
elk zuchtje wind een herinnering aan wat was.
Kinderen trappen lachend door de kleuren,
hun laarzen maken muziek in de plassen.
Daar, bij het raam, zit ze met een deken om haar schouders,
een kop dampende thee in haar handen
en een boek dat ruikt naar avontuur en vorige levens.
De regen tikt op het glas als een ongeduldige dichter;
hij wil meeschrijven aan haar verhaal.
De lucht mengt zich met de geuren van kaneel, koffie,
pasgebakken pompoentaart en warme chocolademelk.
Kaarsen flakkeren in elke hoek,
hun vlammen wiegen op het ritme van de avond.
De kamer is een cocon van licht,
een schuilplaats tegen de stormen van de wereld.
Zo schrijft de herfst zich dieper in haar hart,
met inkt van amber en kastanjebruin.
De tijd staat stil wanneer de elfen dansen
tussen de eikenbladeren op haar venster.